[pagevisual]

Iets minder ambacht en iets meer utopie

Door: Marguerithe de Man, programmamanager van In de Wind met een passie voor het ontwerpen van leeromgevingen

LoesjeEind april was er, ter gelegenheid van het afscheid van Gerhard Smid, een mini-symposium over de toekomst van de veranderkunde. Hans Vermaak en Hans Strikwerda deelden daar hun visie. Als ik artikelen van Hans Strikwerda lees  dan overkomt me vaak, dat ik het wel kan lezen, maar dat ik het nog niet begrijp. Dat komt omdat ik nog geen doorleefd eigen beeld heb van wat de consequenties zijn van wat hij schrijft. Een dag na het symposium kan ik inmiddels wel duiden wat de door de aanwezigen ervaren en benoemde kloof was tussen de verhalen van de beide Hanzen. Ik zal daartoe eerst mijn essentie geven van de kern van het betoog van Hans Strikwerda.

Arbeidsproductiviteit als aangrijpingspunt

De centrale vraag waar Hans Strikwerda zich druk om maakt is de dalende arbeidsproductiviteit in Nederland. Volgens hem is er behoefte aan hogere economische groei en dus aan groei van de arbeidsproductiviteit. Sinds de jaren ‘80 van de vorige eeuw daalt de productiviteit namelijk, toen stond Nederland op de eerste plaats in de wereldtop.  Die plaats was het gevolg van een meer sporen aanpak:

  • een macro-economische institutionele politiek (industrialisatienota’s, loonpolitiek, experimenten door de COP/SER, het poldermodel)
  • snelle verspreiding van ervaring van innoverende bedrijven, toepassing van zowel  scientific management  en gedragswetenschappelijke inzichten  door management consultants
  • de kennistoename van het management van organisaties m.b.v. MBA programma’s

In Nederland is niet langer sprake van een macro-economische institutionele politiek waardoor dat  geen stimulans meer is voor de door Strikwerda beoogde groei van de arbeidsproductiviteit. Dan blijven er  twee sporen over, zou je denken. Maar dat is niet waar volgens hem.

Immateriële activa

Waarom dat zo is, volgt uit zijn betoog over de noodzakelijke veranderingen in de grondslagen van arbeidsorganisaties. De principes waar arbeidsorganisaties op gebaseerd zijn, zijn afkomstig uit de 19de eeuw, namelijk het vennootschaps- en arbeidsrecht, waarin de kapitaalsbasis van een organisatie uitsluitend bestaat uit fysiek kapitaal.

De praktijk van vandaag is echter dat de echte kapitaalsbasis van een organisatie bestaat uit immateriële activa; human capital, information capital en organization capital.  Hier is echter een probleem omdat deze nieuwe economische grondslag nog niet vertaald is naar die instituties waarop ondernemingen zijn gebaseerd,  zoals het eerder genoemde vennootsschaps-en arbeidsrecht maar ook niet naar de internationale boekhoudregels.

Alle gangbare concepten, modellen en theorieën die consultants en managers gebruiken, zijn  nog gebaseerd op die oude instituties en de oude concepten van de organisatie. Ook als je nadenkt over de nieuwe praktijk werken de oude frames onbewust nog door.

Wat is hier nu lastig aan? De redenering kan ik nog volgen maar  voor mij wordt het  ingewikkeld als ik voorbij de redenering denk. Daar bieden voor mij de artikelen van Strikwerda ook weinig houvast. Wat betekent het voor managers, medewerkers, klanten als de immateriële activa wel tot de kapitaalsbasis van de organisatie behoren? Wat moet er veranderen in het arbeids- en vennootschapsrecht? En wat betekent dat dan weer? Ik heb er nog geen beeld  bij.

Opletten

Ik moet de organisaties van de toekomst volgens de principes van Hans Strikwerda, nog leren zien. Punt van aandacht is dat ik op moet passen of ik er niet per ongeluk al wel in rondloop  en vergeet mijn frames en routines uit te zetten, en dus blijf denken en handelen alsof  ze nog niet bestaan Aan de andere kant ligt volgens mij een even groot risico op de loer, denken dat je al in een nieuwe organisatie bent  en ze  begrijpt maar ondertussen… Iets dat we zagen met de “nieuwe economie”. Net toen we het er allemaal over hadden was die voorbij. Juist omdat we hem niet echt begrepen en maar deden alsof.

Andere recursie en andere as

Wat me wel steeds duidelijker wordt, is dat het betoog van Hans Strikwerda niet gaat over een organisatie. Zijn betoog gaat over vernieuwing van het hele sociaal economisch bestel. En daar wringt de schoen in het gesprek tussen Hans Vermaak en Hans Strikwerda. Ze hebben het inderdaad over geheel verschillende zaken, op heel verschillende recursie niveaus. Als je ten aanzien van veranderingsvraagstukken een organisatiekundige en een veranderkundige as onderscheidt met op de organisatiekundige as de waarom, wat en waartoe, en op de veranderkundige as wie en hoe, dan wordt zichtbaar dat het verhaal van Hans Strikwerda zich over de organisatiekundige as beweegt. Zijn ’Waarom’ is de achterblijvende arbeidsproductiviteit en zijn ‘Waartoe’  zijn de institutionele veranderingen in het sociaal economisch bestel. Waarbij zijn verhaal op macro niveau is en niet op het niveau van een organisatie.

Hans Vermaak daarentegen sprak uitsluitend over het ‘Hoe’ van het veranderen. Zijn fascinatie zit in het ambacht van het adviesvak, de methoden en technieken.

Mooie veranderingen doen misschien niet het goede?

Stel nu dat met behulp van het instrumentarium van Hans Vermaak een individueel bedrijf zijn arbeidsproductiviteit significant weet te verhogen. Dat is mooi, zou je denken. Maar, en nu speculeer ik, dan zijn we  volgens Hans Strikwerda een stapje verder van huis. Dat ene door Hans Vermaak naar grote hoogte gestuwde bedrijf gedraagt zich volgens de regels van de oude economie in zijn sector en draagt bij aan de ondergang van de anderen in zijn branche. Waarmee we het totale systeem voor vernieuwing alleen maar verzwakken.

De optelsom van alle individuele organisatieveranderingstrajecten zou , wil je bereiken wat Hans Strikwerda beoogt, een bepaalde kant op moeten bewegen opdat er massa komt om die in zijn ogen noodzakelijke institutionele wijzigingen te realiseren. Ik heb geen verstand van vennootschaps- en arbeidsrecht of van internationale boekhoudregels maar je kunt aan je theewater aanvoelen dat er een enorm belangen- en krachtenspel is, dat gericht is op consolidatie van de bestaande situatie, al was het alleen  maar omdat ze net als ik geen goed en doorleefd beeld hebben bij een alternatief.

Omdat ‘de’ adviseur niet bestaat.

Stel je nu eens voor dat organisatieadviseurs een set doelen voor een vernieuwd sociaal economisch Nederland 2030 hebben. Een gedeeld, omarmd, helder en concreet Waartoe. Een Waartoe dat richting geeft aan Wat ze doen in organisaties met een Waartoe dat bijdraagt aan het gedeelde Waartoe. Ondenkbaar!

Een beetje minder van het Hoe en een Utopie voor het Waartoe

Ondanks het feit dat gedeelde doelen voor een vernieuwd sociaal economisch Nederland 2030  onrealistisch zijn, is het denk ik toch  goed  om de komende periode het Hoe van organisatieverandering wat minder belangrijk te maken en het Waartoe in sociaal-economisch perspectief belangrijker. De verhalen over het al dan niet veranderende Hoe gaan er immers in als Gods woord bij een ouderling omdat het direct aansluit bij de professie van organisatieadviseurs. Het ambacht is belangrijk maar volgens mij is het  tijd voor het opzoeken van het ongemak en het onbekende. Want misschien is een van de grote tekortkomingen van het vak wel dat adviseurs te weinig grote ideeën meer hebben. Terwijl het juist ideeën zijn die de wereld kunnen veranderen, schrijft Rutger Bregman in Gratis geld voor iedereen. Bregman en Strikwerda schrijven beiden over dezelfde problematiek, zij het op geheel andere wijze. Bregman gaat daarin nog veel verder dan het vennootschaps- en arbeidsrecht en de internationale boekhoudregels. Bregman spreekt over de herverdeling van arbeid omdat die  door de rol van informatie en technologie dramatisch verandert. Zijn pleidooi gaat de grenzen van Nederland voorbij als het gaat over internationale armoedebestrijding en over de drama’s zoals die zich nu op de Middellandse Zee voltrekken. Bregman suggereert een scala aan ingrepen onder andere een grootschalige wijziging van het belastingstelsel, de ontwikkeling van andere indicatoren om te zien hoe ‘we’ het doen, omdat de oude gebaseerd zijn op oude aannames en vergaande open grenzen en dat gratis geld, een basisinkomen.

Bregmans pleidooi gaat vooral over het belang van een nieuwe Utopie, juist hier in ons land waar we in zijn woorden In Luilekkerland zijn beland. Dat vraagt wel iets. Hij heeft en geeft geen ‘stappenplan’ voor het ontwikkelen van een utopie net zo min als hij  precies weet hoe die ideeën nu de wereld kunnen veranderen. Maar ik merk dat ik me uitgedaagd voel op het (weer) bewuster worden van mijn eigen Utopie om hem meer in verbinding te brengen met mijn praktijk van alle dag. Kortom, ik heb behoefte aan iets minder ambacht en wat meer visie op de toekomst. Oh ja, ik weet best dat een utopie of idee ook schadelijk kan zijn. Dat de wereld er op dit moment uitziet zoals die er uitziet valt mede te danken/wijten aan de jarenlange volhardendheid waarmee Milton Friedman zijn idee geplugd heeft. Maar toch beter een idee dan geen idee!

Dit bericht is geplaatst op woensdag 13 mei 2015 om 11:50 onder Algemeen. U kunt de reacties volgen via de RSS 2.0 RSS-feed. U kunt een reactie achterlaten of een link op uw eigen website plaatsen.

Geef een reactie